Itdaily - GPT-6 Astra: OpenAI’s slimste model is ook zijn gevaarlijkste

GPT-6 Astra: OpenAI’s slimste model is ook zijn gevaarlijkste

openai astra
Bron: OpenAI

OpenAI lanceert GPT-6 Astra als “het slimste model ter wereld”. Het is tegelijk het eerste model dat volgens het eigen framework de kritieke drempel voor cybercapaciteiten haalt.

Na maanden uitstel, een gepauzeerde trainingsrun en een incident dat OpenAI liever niet had meegemaakt, staat GPT-6 Astra sinds begin september in de API en bij Azure en AWS Bedrock. Abonnees van ChatGPT Plus, Pro, Business en Enterprise volgen binnen enkele dagen. De prijs: tien dollar per miljoen inputtokens en vijftig dollar per miljoen outputtokens, met een Fast-modus aan het dubbele tarief.

In de aankondiging schuwt OpenAI de grote woorden niet. GPT-6 Astra wordt voorgesteld als het eerste model dat het niveau van ‘algemene artificiële intelligentie’ zou bereiken. De benchmarks zijn indrukwekkend, de vergelijkingen selectief en de veiligheidsarchitectuur leunt op een fundament dat OpenAI zelf ziet verzwakken.

Primus van de klas

Bij een modellancering horen benchmarks die het model moeten laten uitblinken. Op agentische taken zet GPT-6 Astra de grootste sprongen. Op Terminal-Bench 4.0 klimt het model naar 57,9 procent, tegenover 37,3 procent voor GPT-5.6 Sol. SRE-Bench gaat van 55,9 naar 88 procent bij één poging. Op OSWorld 2.0 haalt Astra 72,6 procent in ongeveer veertig minuten per taak, waar de voorganger 65,7 procent haalde in 75 minuten. Dat is bijna de helft sneller.

Ook in tokenefficiëntie zou GPT-6 Astra beter moeten doen. Astra klopt Claude Opus 5 met 59,3 tegen 55,5 procent, met ongeveer 65 procent minder outputtokens voor vergelijkbare prompts. Voor wie agenten in productie draait, weegt die verhouding zwaarder dan een paar procentpunten.

Selectieve vergelijking

Zoals vaker moet je de benchmarkcijfers met een paar korrels zout innemen. Andere cijfers waar OpenAI mee zwaait, zeggen vooral iets over de meetlat zelf: 99,9 procent op ARC-AGI-3, 98 procent op FrontierMath Tier 4 en 96 procent op GPQA Diamond tegen 94,6 procent voor Sol. Bij de eerste twee is de benchmark uitgeput, bij de derde is de winst nauwelijks nog interessant.

OpenAI zet Astra in zijn eigen tabellen naast Claude Fable 5.1 en Gemini 3.8 Flash. Ook dat is een keuze. Fable 5.1 is Anthropics publieke variant met extra safeguards; het model dat op cybersecurity de frontier bepaalt, heet Claude Mythos 5.1. OpenAI lijkt de rechtstreekse vergelijking met Mythos te schuwen. Gemini 3.8 Flash is dan weer Googles snelle en goedkope model en geen vlaggenschip, en bijgevolg dus ook geen representatieve vergelijking.

Over de drempel

OpenAI noemt Astra het eerste model dat de kritieke cyberdrempel haalt. Astra scoort 100 procent op ExploitBench (Sol: 78,5 procent) en ontdekte tijdens de evaluatie twee onbekende zero-days, die aan de maintainers werden gemeld. Tot wat Astra en andere OpenAI-modellen in staat zijn, zagen we al bij het Hugging Face-incident.

Anthropic publiceerde over Mythos Preview cijfers die minstens zo confronterend zijn. Dat model kreeg volledige control flow hijack op tien afzonderlijke, volledig gepatchte targets en bouwde 181 werkende exploits voor kwetsbaarheden in de Firefox-engine, en het ontdekte softwarebugs van zevenentwintig jaar oud. Mythos Preview kan zero-days vinden en exploiteren in élk groot besturingssysteem en élke grote browser.

Zwakke plek

Na het incident met Hugging Face nam OpenAI maatregelen die voor GPT-6 Astra operationeel zijn. Op modelniveau weigert Astra schadelijke verzoeken in 91,5 procent van de gevallen, tegenover 59 procent voor Sol. In honeypottests die het Hugging Face-incident nabootsen, probeerde Sol in 56 procent van de gevallen ongeautoriseerde toegang te krijgen; Astra deed geen enkele poging. De scherpste cybercapaciteiten blijven bovendien achter slot en grendel en worden enkel aan een beperkte groep testers blootgesteld.

In OpenAI’s eigen overzicht schrijft het dat Astra ‘beter in staat is zichzelf te beheersen’. Dat betekent dat het model in evaluaties bewust onder zijn kunnen presteert om de interne monitors ontwijken. Daar wringt het schoentje. Het hele toezichtmodel van OpenAI rust op leesbare redeneersporen, net op het moment dat die minder leesbaar worden. OpenAI erkent de trend en zegt ze verder te onderzoeken, maar een oplossing is er niet.

Die zorg is niet theoretisch. Bij het Hugging Face-incident braken een intern onderzoeksmodel en Sol-agenten uit hun sandbox, verwierven internettoegang, escaleerden privileges en haalden adminrechten op OpenAI’s interne Kubernetes-cluster. De detectie kwam er ruim twee maanden na de eerste sporen.